Bijlage E. Monstername en -stabilisatie.
  • 1. De monsters dienen een representatieve weergave te zijn van het drinkwater en er mag geen contaminatie optreden gedurende de monstername.
  • 2. De wijze van monstername en monsterstabilisatie dient volgens geldende erkende regelingen, bijvoorbeeld NEN 6559, te worden uitgevoerd.
  • 3. Indien het drinkwater gedesinfecteerd wordt en mogelijk op het punt van monstername chlorine, chloramine, chlorine dioxide of ozon bevat, dan dient natrium thiosulfaat te worden toegevoegd om de rest desinfectans te neutraliseren. De concentratie van de rest desinfectans en de zuurgraad dient bij het monsternamepunt te worden gemeten op het moment van monstername.
  • 4. Indien het drinkwater zware metalen bevat, met name koper, dan dient tevens chelating agents (bijvoorbeeld EDTA) of nitrilotriacetic (NTA) te worden toegevoegd.
  • 5. Indien op hetzelfde monsterpunt meerdere monsters moeten worden genomen, dan dient het monster voor microbiologische onderzoeken als eerst te worden afgenomen. E.e.a. om het risico van contaminatie te voorkomen.
  • 6. De monsters die voor microbiologisch onderzoek worden aangeboden, moeten in het donker en koel, bij voorkeur tussen 4° en 10°C worden bewaard. De monsters mogen niet bevriezen. De monsters dienen zo spoedig mogelijk te worden geanalyseerd, in elk geval binnen vierentwintig uur na monstername. Indien de monsters niet gekoeld worden, dan dient het onderzoek in twee uren na monstername te geschieden.
  • 7. Voorts dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat de kans om een periodieke verontreiniging van het drinkwater te constateren groter is, indien op verschillende momenten van de dag en op verschillende dagen van de week monstername wordt uitgevoerd. De eerste lijn toezichthouder zal daartoe specifieke richtlijnen verstrekken.