Artikel 3

1. Wanneer een periodieke uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een of andere Mogendheid, welke van invloed was op de hoogte van het overeenkomstig de voorgaande artikelen tot uitbetaling komende bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, is afgekocht, blijft het bedrag van de uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering vastgesteld, alsof de eerstbedoelde uitkering niet was afgekocht. Na de beëindiging van de periodieke uitkering wordt de betrokkene geacht uit hoofde van de ontvangen afkoopsom een periodieke uitkering te ontvangen ter hoogte van de periodieke uitkering, die laatstelijk voor die beëindiging werd genoten.

2. Indien aan de berekening van een in het vorige lid bedoelde afkoopsom een ander bedrag aan periodieke uitkering ten grondslag is gelegd dan laatstelijk voor de beëindiging van die uitkering werd genoten, en het verschil niet uitsluitend een gevolg is van een aanpassing aan het loon- en/of prijspeil, wordt voor de vaststelling van het bedrag van de na de beëindiging van de periodieke uitkering uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het bepaalde in het vorige lid, de betrokkene geacht uit hoofde van de ontvangen afkoopsom een periodieke uitkering te ontvangen ter hoogte van het bedrag, dat aan de berekening van die afkoopsom ten grondslag is gelegd.

3. Indien, na toepassing van het eerste of tweede lid, het uit te betalen bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden herberekend, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden vastgestelde in mindering te brengen bedrag naar evenredigheid aangepast aan de herzieningen van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en in de artikelen 1:1, eerste lid, onderdeel m, en 3:7, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, die sedert de beëindiging van die periodieke uitkering hebben plaatsgevonden.